De ploegentijdrit (deel 2)
(© C.J.Kiewik & M.S.Gerritsen)

Ok, de ploeg staat, het materiaal is zo goed als het worden zal, en de wedstrijd komt in zicht. Hoe nu verder?

Parcours
Een goede kennis van het parcours is gewenst. Idealiter rij je een paar dagen van te voren het parcours met de hele ploeg en ploegleiding. Je let daar bij op de volgende aspecten:

Is een uitgebreide verkenning met de ploeg niet te realiseren,  laat dan in ieder geval de ploegleider het rondje verkennen, en rij op de dag zelf de start en finish af.
En denk eraan dat er in Nederland ieder jaar weer meer rotondes, 30 km zones, bloembakken, verkeersdrempels en andere kunstwerken bijkomen, dus informatie van de vorige keer hoeft niet meer te kloppen!

A day at the races
Zorg ervoor dat iedereen op tijd aanwezig is. Een centrale locatie waar iedereen ook bij slecht weer warm kan blijven is natuurlijk perfect. Dus leen een huis van een supporter, huur een sportschool, reserveer een cafe, regel een bus enz.

De organisatie
Voor je van start gaat moet de organisatie en het rampenplan duidelijk zijn. Je kunt niet alles plannen, maar met een goede planning kun je veel sneller omschakelen als het onverwachte gebeurt. Want voor discussie is in de wedstrijd geen tijd! In de voorbespreking worden dus de puntjes op de i gezet. Wat is de rol van iedere renner, en wie van de renners heeft de leiding in de ploeg? En wat is de volgorde van de renners en in welke waaier rijden we. Meestal wordt de voorkeur gegeven aan de enkele waaier (lintrijden). Na een kopbeurt heb je dan de langste rustperiode. Bij de dubbele waaier (rondrijden) wordt de herstelperiode gehalveerd, en deze formatie komt eigenlijk alleen in aanmerking op een smalle weg bij harde wind. Een andere belangrijke vraag is wanneer te stoppen als er lek gereden wordt en wanneer niet? Dat zijn een boel scenarios want vroeg of laat in de wedstrijd maakt verschil, en of het een dragende of ondersteunende renner betreft natuurlijk ook. De ploegleider neemt de beslissing, en de wegkapitein draagt deze zonodig verder uit.
Ook belangrijk is wisselen we bij pech van wiel of direct van fiets en hoeveel drinken neem je mee. Tot slot neem je de knelpunten in het parcours door en de tactiek die gevolgd gaat worden om die hindernissen te nemen. Wie gaat voorop bij de start, en vanaf waar kan de ploeg vol gaan rijden?
Klinkt allemaal heel logisch tot nu toe, maar in de Tour hebben we met Rasmussen gezien dat ook grote ploegen hier steken kunnen laten vallen.

Na deze voorbespreking kunnen de renners rusten en de ploegleider, mechanieker en verzorger nog even hun specifieke punten doorpraten.

Warmrijden
Goed warmrijden is heel belangrijk. Ideaal is daarbij eerst even op de weg te rijden (voor een laatste parcoursverkenning, test van het materiaal en weten waar de start is) en de afronding op de rollers te doen. Op de rollers heb je de hele ploeg bij elkaar (er zal maar iemand ver weg lek rijden) en kun je veel beter timen. Want je wil natuurlijk met zo min mogelijk stress op de goede tijd bij de start komen. Uiteraard rij je ook naar de start als groep.

Start
Er is een formatie afgesproken en uiteraard hou je je daaraan. Vanuit de auto kun je waarschuwen voor hindernissen in het parcours, bijsturen of eventueel ingrijpen. Belangrijk is dat de ploegleider daarbij rustig blijft en kort van stof en duidelijk is. De leider op de fiets beslist of de waaier rechtsom danwel linksom rijd afhankelijk van de wind, voor de ploegleider is dit wat moeilijker te voelen. Wat de leider ook beslist: de rest voert uit en geen discussie op de fiets. Probeer verder een zo strak mogelijk tempo te rijden, elke tempowisseling kost kracht. Ben jij sterker? Dan rijd je langer op kop en niet harder, zo spaar je de minderen en kunnen die net weer iets meer in de volgende kopbeurt. Zo maak je uiteindelijk de ploeg sneller en de eindtijd beter.

Met de huidige techniek is het ook geen heksentour meer om iemand langs het parcours te stationeren die tussentijden kan klokken en door kan bellen.
Bij een ploegentijdrit voor 6 man telt de tijd van de vierde. Je kunt dus twee verliezen, maar de beurten voor de overblijvers worden daarmee zwaarder. De voorkeur blijft dus om de formatie zo lang mogelijk in tact te houden. Kun je echt niet mee, neem dan de ploeg nog eenmaal op je laatste krachten op sleeptouw en laat je dan lossen.
De tijd van de vierde man is maatgevend, het is dus niet sneller om met een machtige sprint de formatie in de laatste kilometer om zeep te helpen!

Nabespreking
Al wordt je eerste of laatste, hou altijd een nabespreking. Wat ging er goed, waar kan het beter en wat ging er mis. Na de wedstrijd moet je alle problemen met elkaar door- en uitpraten, dan hoef je daar achteraf niet meer over te gaan augurken. Dat is contra productief, als wielrenner wordt je er niet sneller van, en je hobby wordt zeker niet leuker!