Het materiaal.
In een ploegentijdrit wordt hard
gereden in formatie. Een echte tijdritfiets is aan te bevelen. Je
gaat dicht bij je voorganger in het wiel rijden, dus de achterrem moet
het goed doen, het balhoofdstel moet fatsoenlijk zijn afgesteld, en het
ding moet netjes rechtuit willen rijden.

Bidonhouders zonder bidon hebben meer luchtweerstand dan een houder met. Voor de meeste tijdritten sloop je de houders er dus af.
Dichte achterwielen zijn razend duur, maar het is verbazend wat je allemaal kunt lenen. Je moet alleen er op bedacht zijn dat meeste in omloop zijnde achterwielen nog voorzien zijn van een ouderwets 7 of 8 speed pignon. Dat schakelt niet best met moderne 9speed fietsen, maar bij shimano kun je de zaak aardig rechttrekken door de derailleurkabel anders vast te zetten. Een andere ketting is niet nodig, wel moet je uiteraard de derailleur compleet nieuw afstellen. Controleer of de tube nog opnieuw moet worden vastgekit!
Ga je een los opzetstuur monteren, check dan van te voren of het past:
De training
De training voor de ploegentijdrit
heeft maar een doel en dat is om de optimale formatie te vinden en om het
gevoel en de juiste routines er in te krijgen. Om conditie en snelheid
op te bouwen kun je veel beter wedstrijden blijven rijden. De trainingen
hoeven dus niet erg lang te duren, met een aantal sessies van 1.5 uur kun
je al veel doen. Zoek een ruim rondje waar je ander verkeer zomin mogelijk
last bezorgd, en waar je de renners goed vanuit de ploegauto kunt observeren.
(gebruik bij voorkeur een opvallende ploegauto, zodat het overige verkeer
direkt op wielrenners wordt geconditioneerd). Heb je oortjes, gebruik die
dan ook, omdat je veel makkelijker kun bijsturen.
De eerste trainingen staan in het
teken van het uitproberen van de juiste volgorde van de renners.
De optimale volgorde is van groot
naar klein, en met een snelle renner afgewisseld met een minder snelle
die het tempo alleen moet vasthouden. Zet je alle snelle renners direkt
achter elkaar dan loopt het tempo in een beurt omhoog en blaas je de zwakkeren
snel op.
Bochten worden altijd in formatie
genomen. Overnemen doe je na de bocht als de voorste het spul weer in gang
heeft getrokken.
Is een renner duidelijk beter dan
de rest, dan moet die niet harder fietsen, maar langere beurten maken.
Als je lang genoeg getraind hebt
zodat de formatie lekker loopt, de slingers eruit zijn, de ploeg niet na
een bocht uit elkaar wordt getrokken en het overnemen efficient verloopt
kun je de snelheid opvoeren.
In deel 2 behandelen we binnenkort
de wedstrijd zelf.