De ploegentijdrit (deel 1)
(c) M.S.Gerritsen & C.J.Kiewik
Een aparte discipline in het wielrennen is de ploegentijdrit. Als de ploeg slecht draait is het een drama, krijg je de details onder de knie dan zal de ploeg boven de individuele kwaliteit van de renners uitstijgen en wordt het voor iedereen leuk. Voor een ploegentijdrit moet je kunnen fietsen, maar zoals zo vaak met wielrennen, met alleen maar hardrijden krijg je geen resultaat.

Het materiaal.
In een ploegentijdrit wordt hard gereden in formatie.  Een echte tijdritfiets is aan te bevelen. Je gaat dicht bij je voorganger in het wiel rijden, dus de achterrem moet het goed doen, het balhoofdstel moet fatsoenlijk zijn afgesteld, en het ding moet netjes rechtuit willen rijden.

Aerodynamica is belangrijk, rij dus bij voorkeur met een dicht achterwiel en een aerodynamisch voorwiel. Staat er heel veel wind dan moet je mischien een open achterwiel steken, maar dat hangt er vanaf of je de fiets op een stabiele lijn kan houden. Zware wielrenners hebben het wat dat betreft makkelijker dan lichte renners. Kun je de fiets in bedwang houden, dan heb je veel plezier van zijwind omdat dat extra voortstuwing geeft.
Aerodynamische helmen zien er prachtig uit, maar hebben alleen zin als je je hoofd rechtop houdt. Kijk je veel naar je voorwiel, dan steekt de punt recht omhoog in de wind en ben je beter af met een normale helm. In geval van twijfel kun je een keer een lintje aan je nek binden, vanuit de ploegauto kun je prima zien of het lint in stille wind ligt of gaat fladderen.

Bidonhouders zonder bidon hebben meer luchtweerstand dan een houder met. Voor de meeste tijdritten sloop je de houders er dus af.

Dichte achterwielen zijn razend duur, maar het is verbazend wat je allemaal kunt lenen. Je moet alleen er op bedacht zijn dat meeste in omloop zijnde achterwielen nog voorzien zijn van een ouderwets 7 of 8 speed pignon. Dat schakelt niet best met moderne 9speed fietsen, maar bij shimano kun je de zaak aardig rechttrekken door de derailleurkabel anders vast te zetten.  Een andere ketting is niet nodig, wel moet je uiteraard de derailleur compleet nieuw afstellen. Controleer of de tube nog opnieuw moet worden vastgekit!

Ga je een los opzetstuur monteren, check dan van te voren of het past:


De training
De training voor de ploegentijdrit heeft maar een doel en dat is om de optimale formatie te vinden en om het gevoel en de juiste routines er in te krijgen. Om conditie en snelheid op te bouwen kun je veel beter wedstrijden blijven rijden. De trainingen hoeven dus niet erg lang te duren, met een aantal sessies van 1.5 uur kun je al veel doen. Zoek een ruim rondje waar je ander verkeer zomin mogelijk last bezorgd, en waar je de renners goed vanuit de ploegauto kunt observeren. (gebruik bij voorkeur een opvallende ploegauto, zodat het overige verkeer direkt op wielrenners wordt geconditioneerd). Heb je oortjes, gebruik die dan ook, omdat je veel makkelijker kun bijsturen.
De eerste trainingen staan in het teken van het uitproberen van de juiste volgorde van de renners.
De optimale volgorde is van groot naar klein, en met een snelle renner afgewisseld met een minder snelle die het tempo alleen moet vasthouden. Zet je alle snelle renners direkt achter elkaar dan loopt het tempo in een beurt omhoog en blaas je de zwakkeren snel op.
Bochten worden altijd in formatie genomen. Overnemen doe je na de bocht als de voorste het spul weer in gang heeft getrokken.
Is een renner duidelijk beter dan de rest, dan moet die niet harder fietsen, maar langere beurten maken.
Als je lang genoeg getraind hebt zodat de formatie lekker loopt, de slingers eruit zijn, de ploeg niet na een bocht uit elkaar wordt getrokken en het overnemen efficient verloopt kun je de snelheid opvoeren.

In deel 2 behandelen we binnenkort de wedstrijd zelf.